Ombudsman: Nabestaande hoeft niet te betalen voor extra consumpties

Door Syta HamminkNieuwsWith 0 comments

De Ombudsman voor de uitvaart stelt een klagende nabestaande in het gelijk in een zaak over meerkosten voor consumpties. Omdat de uitvaartondernemer in zijn begroting niet had vermeld dat eventuele extra kosten voor rekening van de opdrachtgever zouden zijn. Hieronder de uitspraak.

Onderwerp van het geschil:

Klager vindt dat de uitvaartfactuur niet correct is, nu deze hoger is dan de kostenbegroting.

Uitspraak

De ombudsman concludeert het volgende:
I. Over de kosten voor de consumpties
1. Op de kostenbegroting is niet voldoende duidelijk aangegeven dat de begrotingspost voor de consumpties een aanname was (pro memorie) en dat het uiteindelijke bedrag afhankelijk zou zijn van het aantal te schenken consumpties.
2. Juist het feit dat de opgave bij de kostenbegroting een opmerking bevat over de consequenties van tijdsoverschrijding van het gebruik van de aula en/of de condoleanceruimte en niet van de post ‘consumpties’, leidt ertoe dat klager van de andere posten mocht verwachten dat het vaststaande bedragen waren.
II. Over de kosten voor de verzorging van de overledene
1. Kennelijk vergat de uitvaartondernemer enkele kosten op te nemen in de kostenbegroting. Klager tekende niet voor deze kosten en gaat er achteraf niet mee akkoord.
2. Omdat de kostenbegroting is bedoeld om een opdrachtgever duidelijkheid te geven over de met de uitvaart gepaard gaande kosten, ligt het niet opvoeren van kosten in de kostenbegroting in de risicosfeer van de uitvaartondernemer.
3. Klager mocht uitgaan van de kosten, zoals opgevoerd in de kostenbegroting.

Beslissing van de ombudsman
De klacht is gegrond. Klager hoeft de meerkosten voor de consumpties niet te betalen, nu op de kostenbegroting en/of opgave niet voldoende duidelijk was dat het bedrag een inschatting van de kosten was en waarop deze inschatting was gebaseerd.

De kosten voor de verzorgingsmaterialen, het inkisten en het bezorgen van de kist staan niet op de kostenbegroting en deze kunnen daarmee ook niet in rekening worden gebracht.
Concreet betekent dit dat de uitvaartondernemer in totaal € 591,25 aan klager dient te restitueren. Dit bedrag kwam als volgt tot stand:
€ 416,25 van de reeds betaalde consumpties (€ 1.046,25 -/- € 630,-) en
€ 175,- van de reeds betaalde extra in rekening gebrachte diensten (de factuur bedroeg € 900,-, waarvan € 230,- in mindering werd gebracht doordat klager zelf de verzorging van de overledene op zich nam. Van de resterende € 670,- hoeft klager alleen de bewassingsruimte te betalen ad € 190,- en het overbrengen van de overledene naar de opbaarruimte ad € 305,-. Er moet dus € 495,- betaald worden en klager betaalde reeds € 670,-. € 670,- -/- € 495,- = € 175,-).

Dit bedrag dient binnen drie weken na de ontvangst van dit bindend advies op de bankrekening van klager te zijn bijgeschreven.

Ten overvloede

Het is niet per definitie zo dat een factuur nooit hoger kan zijn dan de kostenbegroting. Alles hangt af van de afspraken die uitvaartondernemer en opdrachtgever samen maken.

Het verdient aanbeveling een kostenbegroting zodanig op te stellen dat een opdrachtgever niet alleen weet welke begrotingsposten gebaseerd zijn op een aanname, maar ook van welke aanname de kostenbegroting uitgaat. Als de term ‘pro memorie’ wordt gebruikt, dient ook te worden aangegeven (liefst schriftelijk, zodat een opdrachtgever het kan nalezen) wat deze term betekent.

uit: uitvaart.nl